
Elsloose sigarenfabriekjes
- Afbeeldingen ©: Historiehuis van de Maasvallei, rawpixel.com
Vanaf het einde van de zestiende eeuw rookte men in Nederland al tabak, vooral in een pijp. Sigaren kwamen aanvankelijk uit het buitenland en waren nog geen alledaags product. Pas in de negentiende eeuw werd de sigaar populair genoeg om op veel plaatsen werk te bieden aan sigarenmakers, zo ook in o.a. Beek en Elsloo.
Wanneer begon Nederland sigaren te roken en te maken?
Een precies beginjaar is moeilijk aan te wijzen. In zijn publicatie "Een eeuw sigarenindustrie in Nederland" vermeld Paul Mennens van Heemkundevereniging Beek dat al in de zestiende en zeventiende eeuw sigaren naar Nederland werden gebracht. Het ging toen om ingevoerde sigaren uit onder meer Brazilië, Cuba, Spanje en Engeland. De meeste tabaksrokers gebruikten in die tijd echter een pijp. Pas veel later werd de sigaar een alledaags rookartikel.
Tegen het einde van de achttiende eeuw werden in Nederland op kleine schaal sigaren met de hand gemaakt. Vanaf circa 1850 verschenen in veel plaatsen sigarenmakerijen. Dat waren vaak thuiswerkers of kleine bedrijven die met de hand de tabaksbladeren verwerkten om er sigaren van te "rollen". Ook vrouwen en kinderen werkten mee, bijvoorbeeld bij het verwerken van tabaksbladeren. De werkdagen waren lang en de arbeidsomstandigheden vaak zwaar.
Nederland telde omstreeks 1850 minder dan 2.000 sigarenmakers, tegen ongeveer 15.000 in 1890.
Hoe werd een sigaar gemaakt?
Eerst verwijderden de arbeiders met hun vingers de dikke nerf uit het tabaksblad. Dat heette ‘strippen’. Van de tabak voor de vulling maakten zij een langwerpig bundeltje. Daaromheen rolden zij een eerste blad, het omblad. Dit halffabricaat heette een ‘bosje’ of 'pop'. De bosjes gingen in houten vormen onder een pers, zodat alle sigaren dezelfde vorm kregen. Daarna rolde een geoefende sigarenmaker er schuin een mooi, gaaf dekblad omheen. Hij werkte het uiteinde af en zette het blad vast. Een sigaar bestond dus uit drie delen: de vulling, het omblad en het zichtbare dekblad.
Het was snel en precies werk. Volgens de herinneringen in 'De Maasvallei in een stroomversnelling' (publicatie van Guus Peters van Historiehuis van de Maasvallei) maakte een sigarenmaker zo’n 300 tot 400 sigaren per dag. Toen rond 1930 het maken van de ‘poppen’ of 'bosjes' deels werd gemechaniseerd, kon dat oplopen tot ongeveer 600. Het dekblad werd nog met de hand aangebracht. Het boek noemt voor een goede sigarenmaker in de jaren twintig een weekloon van ongeveer 20 tot 30 gulden.
Beek bood werk aan Elsloonaren
In 1867 begon Eugène Hennekens achter zijn pand aan het Wolfeijnde in Beek met de productie van sigaren. Later volgden onder anderen Alphons Garé en M. Retera. Rond 1900 verdienden ruim 350 mensen hun brood in de Beekse sigarenindustrie. De meesten kwamen uit Beek, maar ook inwoners van Elsloo en Maastricht vonden er werk.
Fabrikanten besteedden een deel van hun productie uit aan werkplaatsen in andere dorpen. Zo had de Beekse firma Retera, opgericht in 1888, een vestiging in Elsloo. Volgens het Historiehuis van de Maasvallei was die in 1916 gevestigd op de plek van het huidige woonhuis aan Raadhuisstraat 22. Toen tussen 1920 en 1923 sigarenmakers zonder werk kwamen te zitten, besprak de Elsloose gemeenteraad steun en werkgelegenheid. Retera stelde voor om een aantal werklozen in zijn Elsloose fabriek aan het werk te zetten, met een financiële bijdrage van de gemeente per duizend gemaakte sigaren.
Een van de arbeiders uit de omgeving was P.J.H. Pijpers uit Catsop, die woonde toen op Het Einde 2. Hij werkte vanaf 1910 bij de Beekse tabaksfabriek als pruimtabakbewerker. In 1933 ging hij de weg op om pruimtabak te verkopen in Zuid-Limburg. Dat deed hij tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog kreeg hij, net als veel andere tabaksbewerkers, zijn baan niet terug. Pijpers overleed op 22 juli 1983, op 86-jarige leeftijd.
Sigarenfabriekjes in Elsloo
Elsloo had ook eigen werkplaatsen. Onderstaande foto uit 1916 toont de medewerkers van een sigarenfabriekje voor het toenmalige café H. Janssen, op de hoek van de Kaakstraat en Terhagen. Op het bord voor de groep staat ‘Gijrath & Bots Elsloo’.
De sigarenmakers werkten in de zaal van het café. Volgens het Historiehuis van de Maasvallei waren het er ongeveer 35. Zij maakten tegen stuksprijs sigaren voor Gijrath & Bots uit Valkenswaard. Hun betaling hing dus af van het aantal sigaren dat zij afleverden. Sjaak Janssen was hun plaatselijke baas.

Afbeelding: 1e rij: 4e van rechts J. Fredrix / 2e rij, achter bord: 1e van links Coen Smeets en 1e van rechts Servaes Bours / 3e rij vijfde persoon van rechts Sjaak Lemmens, met een ketting aan zijn broek / laatste rij: 2e van links P. Dobbelstein, 3e van links M. Fredrix
Sigarenfabriekjes in Elsloo en Catsop
In de boeken "De Maasvallei in een stroomversnelling" en "Catsop" worden verschillende sigarenfabriekjes of werkplaatsen vermeld. Harie Rouvroye noemt in zijn terugblik op de bedrijvigheid in Elsloo rond 1935 ook nog een aantal werkplaatsen. Onderstaande is een opsomming van fabriekjes die op enig moment actief zijn geweest met sigarenproductie in Elsloo en Catsop.
Raadhuisstraat 2: ‘Den Hjer’, Sjeng Fredrix – sigarenfabriek.
Julianastraat: ‘Sjaak van Betje’ – sigarenfabrikant en verkoop; de eigenaar wordt niet bij naam genoemd.
Kaakstraat 1: ‘Den Dobbele’, Harie Dobbelstein – sigarenfabriek.
Veestraat, Catsop: ‘Sjaakske Collard’, Jac. Collard – sigarenfabriek.
Hof van Catsop: Van Hees en Hennissen
Stationsstraat 62: ‘Het febriekske’, Louis Janssen en Jac. Frederix, pruim- en roltabak-fabriek.
Stationsstraat 54: Sjaak Janssen - sigarenfabriek (vader van Sjefke Janssen)

Foto boven • Personeel sigarenfabriek van Retera (Beek) in 1916. Nu is dit het woonhuis aan Raadhuisstraat 22.

Foto boven: De sigarenfabriek van de gebroeders Dobbelstein aan de Kaakstraat 1, achter de kapel.

Foto boven: De sigarenmakerij van Sjaak Janssen aan de Stationsstraat te Elsloo in 1926. Staande v.I.n.r.: P. Achten, J. Fredrix, H. Fredrix, M. Peters, H. Vranken, J. Collard, Sjaak Janssen (de vader van Sjefke); zittend v.l.n.r.: P. Peters, H. Peters, S. Janssen, W. Collard en L. Damen.
De mijnen trokken arbeiders weg
Na de bloei aan het begin van de twintigste eeuw kreeg de Beekse en Elsloose sigarenindustrie het moeilijk. Tijdens de crisis in de jaren twintig verdwenen banen. Arbeiders kozen ook voor werk in de mijnen, waar zij meer konden verdienen. Zeker toen in 1926 de Staatsmijn Maurits in Geleen werd geopend, toen kwam dat werk een stuk dichter bij huis.
Na de Tweede Wereldoorlog lukte het de Beekse en andere fabrikanten niet om de bedrijfstak weer tot bloei te brengen. In de jaren zestig verdwenen de laatste tabaks- en sigarenbedrijven uit de Beekse registers.
Bronnen
• Stichting Nederlandse Tabakshistorie, ‘Tabak in Nederland’
• Heemkundevereniging Beek, ‘Een eeuw sigarenindustrie in Nederland’
• Historiehuis van de Maasvallei, ‘De Maasvallei in een stroomversnelling’
• Boek 'Catsop'
• Heemkundesnipper nr 15 uit december 1993
• De Huisvriend (1894), 'Het ontstaan der sigaar'
• Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland, 'Sigaren maken in IJsselmuiden'
